G&E in de USA.
Deel 19: Jarig in New Orleans
Click here for an English version of part of this episode 19
Geschreven op 17 februari 2003
Smallpox vaccinatie
Via Stanford kreeg ik op mijn werk een email waarin met vrijwilligers zocht voor een smallpox (pokken) vaccinatie. De Amerikanen zijn erg bang voor een aanval met enge virussen of bacterien, en men overweegt om de totale bevolking in te enten met smallpox. Maar er is niet genoeg vaccin voor iedereen. Een van de oplossingen zou zijn om het vaccin te verdunnen, maar hoever kun je het verdunnen voordat het niet meer werkt? Om dit te testen had men vrijwilligers nodig, gevaccineerden en ongevaccineerden. In 1972 is men opgehouden met vaccinatie, maar omdat ik ruim voor dat jaar geboren ben, heb ik het vaccin wel gehad. Fact: Bij de meeste mensen is de vaccinatieplaats zichtbaar als een lidteken op de bovenarm, maar soms (in mijn geval) is de vaccinatie op een bovenbeen gezet, of is het lidteken verdwenen.
In het kader van de wetenschap had ik me als (gevaccineerde) vrijwilliger aangemeld. Het ziekenhuis van Stanford University heeft een groot General Clinical Research Center, waar allerlei vrijwilligers allerlei vaccins, medicijnen en dieten toegediend krijgen. Het is een constante stroom van mensen, maar je weet niet wie in welke studie zit. Na een uitgebreide keuring mocht ik meedoen in de smallpox studie. Een onderzoekster legde uit dat de vrijwilligers in drie groepen werden onderverdeeld. De eerste groep zou een onverdund vaccin krijgen, de tweede groep een 1:5 verdunning, en de derde groep een 1:10 verdunning. Maar noch de vrijwilliger, noch de toediener van het vaccin weet in welke groep je bent ingedeeld (gerandomiseerd, dubbelblinde studie).
Het vaccin werd begin januari toegediend door Dr. Dekker, een kinderarts van Nederlandse afkomst, maar zonder Nederlandse woordenschat. Met een soort fonduevorkje zou zij het vaccin in mijn bovenarm prikken. Toen ik het vorkje zag, brak het zweet me uit. Waar was ik in hemelsnaam aan begonnen?! Maar het deed eigenlijk geen pijn, het voelde alsof iemand met een pen stipjes op je arm zet. Daarna ging er een gaasje en een grote vierkante pleister overheen. Vervolgens kreeg ik een lijst met adviezen mee: de pleister niet aanraken, gebeurt dat toch dan onmiddelijk handen wassen, vooral niet in je ogen wrijven, niet met baby's in contact komen, en geen AIDS oplopen. Nou, dat waren nog eens duidelijke instructies. Ik voelde me gelijk zeer besmettelijk en vies.
De eerste dag gebeurde er niet zoveel, maar het vieze gevoel bleef. Op een "diary card" moest ik aankruisen welke symptomen ik had. Een van de symptomen in de lijst was "Underarm pain or swelling". Domme Eliesje dacht eerst dat het om zwelling van de onderarm ging, maar toen ik een grote en pijnlijke bult in mijn oksel begon te voelen (lymfeklieren), begon ik me af te vragen of Underarm wel onderarm betekende. Het woordenboek werd erbij gepakt, en ja hoor, "underarm" betekent oksel. Weer net anders dan je denkt. Onderarm is trouwens "forearm".
Het ergste was de jeuk. Nog erger dan jeuk is jeuk waar je niet aan mag krabben. Ik voelde af en toe ernstig behoefte om te gillen.... De jeuk duurde twee weken lang, dus je kunt je voorstellen dat ik er redelijk gek begon te worden. Ik moest elke 3-4 dagen naar Stanford om de pleister te verwisselen, waarbij ook nog soms een foto werd gemaakt. Maar elke keer ging er een nieuwe pleister op, en begon de jeuk weer van voren af aan. Niet leuk, maar ik kon bij niemand klagen, want ik deed het immers mezelf toch aan?
Op de foto links zie je hoe de plek van vaccinatie er uitziet na 4-21 dagen, en ik heb deze stadia allemaal netjes doorlopen. Na drie weken was er een mooi korstje ontstaan (een "scab"), en toen dat eraf viel, mocht ik eindelijk zonder pleister door het leven. De jeuk was accuut verdwenen, wat een verademing! Inmiddels is het nog een klein rood plekje, dat nauwelijks opvalt.
Trouwens, de Amerikaanse regering heeft nu besloten voorlopig te wachten met het inenten van de gehele bevolking. Wel zullen alle eerste-lijns hulpverleners (artsen, verpleging, politieagenten en brandweerlui) binnenkort worden gevaccineerd.
Superbowl Party
Zondag 26 januari lag het complete leven in Amerika plat. Het was Superbowl Sunday. Eén jaar geleden zei dat ons nog niets, maar inmiddels hebben we geleerd dat op deze zondag de belangrijkste Football wedstrijd van het jaar gespeeld wordt. Ik heb het natuurlijk niet over voetbal ("soccer") maar over American football, een soort rugby. Superbowl is de "World Championship Football", maar omdat er alleen Amerikaanse teams meedoen, is dit wat overdreven. Het laat zien wat alle Amerikanen denken: de VS is het middelpunt van de wereld. Zelf zijn we geen sportliefhebbers, maar om de Superbowl kun je gewoon niet heen. Het is even belangrijk als het WK voetbal met Nederland in de finale. Dit jaar was het voor de San Francisco Bay Area nog belangrijker dan anders, want dit jaar stonden de Oakland Raiders in de finale. Het ging al weken lang over niets anders meer op radio en televisie, iedereen was opeens Raider fan en ging gekleed in Silver and Black. We keken dus erg naar de wedstrijd uit (maar dan om andere redenen dan de rest van de VS).
Mijn Amerikaanse collega's vonden dat wij Europeanen maar eens moesten leren wat American Football inhoudt, en er werd besloten om een echte Superbowl party te organiseren. Grootmoedig stelde ik ons huis en onze drie televisies (!) ter beschikking, en vanaf drie uur zat het halve Relman lab (de Relmanator himself schitterde zoals gewoonlijk door afwezigheid) bij Elies en Gerard op de bank. Natuurlijk was het potlock, dus we hoefden zelf niet veel in huis te halen. Mary had Woopie Pies gemaakt, een soort chocoladekoeken met marshmellow-smeersel ertussen. John en Tina hadden cakejes gemaakt met kleine chocolade footballs erop, en een kip/worststoofpot. Stephen en Elizabeth maakten Buffalo Wings. Toen ik dat hoorde, maakte ik de onnozele opmerking: "I didn't know that buffalo could fly!" Iedereen lachen natuurlijk, maar het bleken gefrituurde kippenvleugels te zijn met spicy marinade. De rest had allemaal chips meegenomen. Ik kan je verzekeren dat de chips ons na die dag de oren uitkwamen.
Ter verhoging van de spanning had Paul Eckburg quarter bets georganiseerd. Hij had 12 vragen opgesteld, en op elke vraag kon je een antwoord gokken. Bij elke vraag hoorde een papieren zak (zie bijgaande foto waar de zakken op een rij op onze tafel staan). Je schreef je naam en het antwoord op de vraag op een kaartje, en gooide het kaartje samen met een kwartje (vandaar de naam Quarter Bets) in de zak. Een greep uit de vragen:
- Hoeveel seconden duurt het volkslied bij het begin (gezongen door Celine Dion)?
- Hoeveel bierreclames worden er vertoond tijdens de wedstrijd?
- Wat is de stand na het eerste kwartier spelen?
- Wie wint de wedstrijd en met hoeveel punten?
- Hoe vaak wordt er reclame gemaakt voor de nieuwe film van De Hulk?
Zoals je ziet, hadden de football-analfabeten ook een kans. De meeste vragen waren natuurlijk gewoon gokwerk. En zowaar, Gerard en ik wonnen allebei een vraag! Gerard zat het dichtst bij de lengte van het volkslied, en ik zat het dichtstbij de stand na de first quarter.
Van de wedstrijd zelf begrepen we niet veel. Je ziet twee teams dik ingepakte mannetjesputters, die met zijn allen op een bal duiken, een stukje ermee wegrennen, en dan ligt de wedstrijd weer stil. De totale speelduur is maar 1 uur, maar de wedstrijd zelf duurde ruim 3 uur. Telkens wordt de wedstrijd stilgelegd, wordt er overlegd over een nieuwe speltactiek, en wordt er weer reclame uitgezonden. De Superbowl is namelijk de lanceerplaats van nieuwe reclames. De reclameblokken tijdens de wedstrijd zijn de duurste van het jaar (miljoenen dollars per seconde...), en de grote bedrijven zoals Coca Cola, Ford en diverse biermerken laten hun nieuwe reclames zien. Die waren eigenlijk nog leuker dan de wedstrijd zelf. En wij leverden natuurlijk nog het nodige commentaar. Halverwege de wedstrijd (halftime) was er ook nog een muzikaal optreden van No Doubt, Shania Twain en Sting, een vreemde combinatie. Zowel Shania als de zangeres van No Doubt droegen een zilveren bustier, zodat we half en half verwachtten dat ook Sting met een zilveren BH het podium zou betreden, maar dat bleek gelukkig niet het geval.
De Oakland Raiders werden finaal weggespeeld door de Tampa Bay-ers, maar niemand vond dat echt erg. Het belangrijkste is de sfeer erom heen.
Na afloop van de wedstrijd waren Gerard en ik nog niet veel wijzer geworden van de spelregels van American Football, maar het was wel een leuke middag geweest.
Conference in New Orleans
Dinsdag 28 januari vertrok ik voor een conferentie in New Orleans. Normaliter is het altijd Gerard die op zakenreis gaat, terwijl Eliesje zielig achterblijft. Maar nu waren de rollen eindelijk eens omgedraaid. Niet helemaal trouwens, want ik pak altijd Gerards koffer in, maar hij pakte niet de mijne in! Maar goed, dit keer ging ik dus weg. Er was een leuke conferentie georganiseerd door de ASM (American Society for Microbiology) en TIGR (The Institute for Genomic Research), met als titel "Microbial Genomics".
Drie van mijn collega's gingen ook naar het congres. We bleken allemaal via andere vluchten en overstapplaatsen te reizen. Mijn vlucht ging eerst naar Houston, een vlucht van 3 uur, en daarna nog een uurtje door naar New Orleans. Onderweg werd de film The Swim Fan vertoond, maar je moest 5 dollar bijbetalen voor een koptelefoon. Hollands zuinig ("frugal") als ik ben, had ik dat er niet voor over. De film bleek verrassend goed te volgen zonder geluid!
Na aankomst in New Orleans nam ik een hotelshuttle naar het centrum, een busje met ca. 8 andere passagiers. De meeste mensen in het busje bleken ook naar een conferentie te gaan, maar iedereen ging naar een ander congres! New Orleans is een echte conferentiestad, waar heel wat afvergaderd wordt!
Onderweg van het vliegveld naar het centrum zagen we links en rechts van de weg grote begraafplaatsen, met merkwaardige marmeren huisjes. New Orleans ligt namelijk in een groot moeras, en het waterpeil is zo hoog, dat de doden niet in de grond begraven kunnen worden. In plaats daarvan bouwt met grafmonumenten boven de grond.
Na een korte rit werd ik bij mijn hotel afgezet. Ik zat in het Fairmont, een oud en statig hotel, waar ook de conferentie zou plaatsvinden. Het hotel zag er mooi en chique uit, maar de service bij de balie en tijdens het congres bleek erg slecht. Schone schijn dus. Maar de hal was prachtig, en ik voelde me een rijke koloniaal, toen ik de marmeren lobby met kristallen kroonluchters betrad. Mijn hotelkamer bleek twee Queen (tweepersoons) bedden te hebben, een oude houten kast met daarin een TV, en een mooie marmeren badkamer. Na een dutje ging ik op zoek naar de fitnessruimte. Het bleek een zeer doorzichtig glazen hok te zijn, op het dak van 1 van de gebouwen te zitten, met een openluchtzwembad er naast. Nu komt Elies niet zo vaak in een fitness ruimte, dus ik vond die glazen ruimte maar niets. Gelukkig was er niemand anders aan het trimmen, dus ik haalde diep adem en ging naar binnen. De treadmills in de fitnessruimte bleken nogal gammel, en een stuk minder van kwaliteit dan het geval dat we thuis hadden staan. Maar goed, ik had weer mijn portie beweging gehad, zonder pottenkijkers gelukkig.
In het vliegtuig had ik me al een beetje ingelezen over New Orleans. De stad is gelegen aan de rivier de Missisipi. In het centrum ligt de French Quarter, een wijk met rechthoekig stratenpatroon met veel restaurants en bars, waar muzikanten jazz en cajunmuziek spelen. Hart van deze wijk is de beroemde Bourbon Street. Aan de rand van het franse kwartier ligt het Jackson Square met daaraan de St. Louis Cathedral, die nu trouwens in de steigers stond.
De huizen in het French Quarter hebben mooie smeedijzeren balkonnetjes, dus je moet niet vergeten omhoog te kijken. Alles oogt erg vervallen. Door het snikhete en supervochtige klimaat bladdert de verf van alle huizen af. Zomers schijnt het hier niet uit te houden te zijn, maar in de winter is het goed te doen. Op straat rijden veel koetsjes met magere paarden ervoor, waarin de toeristen zich rond laten rijden. Vergeet niet een hotdog te kopen bij het stalletje van de Lucky Dog.
Twee van mijn collega's waren inmiddels ook in het hotel aangekomen, en we besloten om met elkaar te gaan eten. Het was inmiddels al 10 uur 's avonds, maar vanwege het tijdsverschil van 2 uur met California was dat voor ons nog redelijk etenstijd. De meeste restaurants waren al dicht, maar de barman van ons hotel beval ons Coop's Place aan, waar je altijd iets te eten kon krijgen. Het bleek een flinke wandeling, dwars door het French Quarter, langs Jackson Square. Coop's Place bleek meer een kroeg dan een restaurant (linker 3 foto's hieronder). Het was een cafe met bar en pool-tafel, jukeboxen en gokautomaten. Maar we konden inderdaad wat te eten krijgen. We kozen als voorgerecht Fried Alligator Bits. Ik had nog nooit Alligator op, maar het was meer de "Bits" die me zorgen baarden. Gelukkig bleken het kleine, onherkenbare gefrituurde balletjes te zijn. Soms wil je gewoon niet weten welk dier of welk orgaan je aan het eten bent. Het vlees smaakte naar kip, iets taaier en met een vage vissmaak. Als hoofdgerecht koos ik Shrimp Creole, rijst met tomaten/garnalen saus. Al het eten kwam verrassend snel op tafel, en we verdenken het restaurant ervan dat alles opgewarmd werd. Misschien kwam er 's ochtends wel een dikke kokkin, die een paar uur kwam koken, en werd daarna alles de hele dag warmgehouden. In ieder geval smaakte het goed. Later ontdekten we dat het cafe ook nog een webcam heeft.
Vervolgens liepen we terug richting French Quarter, en we kwamen langs een Ierse pub, O'Flaherty's (rechter twee foto's hieronder) waar een life folkband speelde. Wij natuurlijk naar binnen. Het was niet erg druk in het cafe. De band zong een ielige Ierse folksong (nogal vals) en ging daana gelukkig pauze houden. De leden mengden zich onder het schaarse publiek en al snel werd duidelijk dat alle 5 de cafebezoekers (behalve wij) kennissen van de bandleden waren. Na de pauze rommelden ze nog wat op gitaren en hielden het toen voor gezien. Een CD van The Waterboys ging op, en er was Soccer op TV. Werd het toch nog gezellig.
Traditioneel besluit je een avondje stappen in New Orleans met een bezoek aan Cafe Du Monde. Het is 24 uur per dag open, 7 dagen per week (twenty-four-seven noemt men dat hier). Op de menukaart staat alleen koffie (cafe au lait) met beignets, dus dat is wat je neemt. De koffie is een eigenaardig mengsel van gewone koffie en chicory (soort witlof?), met veel melk. Het wordt geserveerd met een glas water. De beignets bleken een soort oliebollen te zijn, zonder rozijnen, met heeeeeeeeeeel veeeeeeeeel poedersuiker. Het is onmogelijk om de beignets te eten zonder te knoeien, zeker niet na een aantal biertjes. Rondom elk tafeltje ligt dan ook een witte laag suiker op de grond, en iedereen zit zich voortdurend af te kloppen. Cafe du Monde is, omdat het zo laat op de avond nog open is, een bonte verzamelplaats van alle kroegenlopers. Jong en oud zit door elkaar heen, en als je wat langer rondkijkt zie je in de donkere hoeken steeds meer eenzame dronkaards boven een kopjen kofjen dommelen.
De volgende dag, woensdag 29 januari begon het eigenlijke congres nog niet, maar er was een workshop over DNA microarrays. Ik had gehoopt dat het voor beginners zou zijn (zoals ik) maar het bleek net een niveau te hoog. Toch was het wel leerzaam. De hele ochtend was er geen koffie te krijgen, en ik voelde me redelijk inkakken. Tussen de middag hadden we een saaie sit-down lunch, met kip en pasta, en toe dan eindelijk een kopje koffie. Daarna weer een paar uur praatjes, tot een uur of 4. Daarna ging ik weer een uurtje slapen, en vervolgens weer een half uurtje op de treadmill in de fitness ruimte. Goed he!!! Ik was hartstikke trots op mezelf.
Na een douche was het tijd voor het diner. Een derde collega was inmiddels ook aangekomen, en wij viertjes togen naar Remoulade's Restaurant, in het French Quarter. Het was een grote hal, met veel tafeltjes. Iedereen praatte door elkaar heen, en je kon elkaar door de vreemde akoestiek bijna niet verstaan. We gingen zitten, en kregen gelijk een schaal met vier gekookte aardappels. Dat is nog eens wat anders dan een mandje brood, maar ik vond het wel vreemd. Vooraf bestelden we een Seafood Pizza. Als hoofdgerecht nam ik een crawfish etouffee. Crawfish zijn een soort krabbetjes/garnaaltjes, maar in mijn gerecht waren ze onherkenbaar gaargekookt tot een soort ragout.
Na het eten liepen we over de bekende Bourbon Street, het hart van het French Quarter. Het is een luidruchtige straat, met veel bars, restaurants en striptenten. Overal staan portiers je binnen te roepen, je ruikt vislucht en de urine in de goot, hoort vlagen jazz/cajun/country muziek uit de diverse cafe's, er staan hotdog tentjes op straat, dronken mensen met kralenkettingen om vallen elkaar om de nek, kortom een bijna Amsterdamse sfeer. Heel wat anders dan de Bay Area! Neem een kijkje op de Bourbon Street webcam voor een indruk. Ik vond het wel gezellig, maar ik vraag me af hoe de sfeer is om drie uur 's nacht. Het lijkt me dan gevaarlijk om alleen over Bourbon Street te lopen. Mensen doen toch rare dingen als ze teveel drank ophebben, en zuipen is het voornaamste doel van deze straat. Helemaal druk hier is het op Mardi Gras, de New Orleans versie van ons Carnaval. Er zijn dan de hele dag grote optochten, en Bourbon Street verandert in 1 kolkende mensenmassa, iedereen draagt dan de bekende kralenkettingen en valt mekaar dronken om de nek.
Als je wat verder loopt wordt het gelukkiger wat rustiger op Bourbon Street. Links was een oud huis/winkeltje, Marie Laveau's House Of Voodoo . Marie Laveau werd geboren rond 1800. Ze was de dochter van een blanke kolonist en een Afrikaanse slavin, en een bekende Voodoo waarzegster/tovenares, aan wie bijzondere krachten waren toegeschreven. In werkelijkheid was ze kapster, en hoorde ze van haar blanke klanten een hoop roddels, die ze weer kon gebruiken om anderen te chanteren. Het huis waar ze woonde is nu een winkeltje met een altaar met haar foto. Je kunt er voodoo poppetjes, alligatorkoppen en boeken kopen. Overal in het kleine winkeltje hangen bordjes met opschriften zoals: "Do not touch the altar, or bad things will happen to you." "Do not steal items, or the voodoo powers will find you." "Do not open this book." "Do not take pictures, because voodoo will take revenge." Heel bijzonder dus.
Helemaal achteraan op Bourbon Street lag het doel van onze wandeling: Lafitte's Blacksmith Shop. Het was een zeer donkere, spooky bar. Het was er echt aardedonker binnen. Op de oude, verweerde houten tafels stonden theelichtjes, maar verder was er geen verlichting. Op de tast vonden we een leeg tafeltje achterin de zaak. De reden dat dit tafeltje nog leeg was, bleek de pianist te zijn. Spelen kon hij wel, maar zodra hij begon te zingen, voelde je de vullingen in je kiezen knappen. Maar wel een echte, authentieke New Orleans ervaring! We dronken er een biertje, maar het pianospel noopte ons tot het opzoeken van een andere gelegenheid.
De naam van de volgende kroeg weet ik niet meer, alleen dat er lekker bier was, een pooltafel, een mevrouw achter de tap, en een muis die telkens over de vloer heen en weer schoot. Om weer een beetje wakker te worden gingen we natuurlijk weer naar Cafe du Monde voor koffie met beignets.
De avond werd besloten met een bezoek aan het Casino, aan Canal Street, niet ver van ons hotel. Een van mijn collega's bleek een ervaren Craps speler. Craps is een zeer populair casino-spel in Amerika. Je staat met een aantal mensen om een tafel heen met een groen laken met daarop allerlei vlakken, net zoals bij Roulette. Maar de regels zijn weer compleet anders, en in het begin begreep ik er niets van. Mijn collega probeerde ons de regels van het spel te leren. Het was vrij ingewikkeld, maar simpelweg kwam het er op neer dat je geld op nummers kunt inzetten, en dan met twee dobbelstenen moet gooien. Als je 7 gooit, wint de bank alles, maar alle andere getallen kunnen je geld opleveren, als je slim speelt. Mijn collega slaagde er in om 70 dollar winst te maken! Mocht je meer willen weten over Craps, dan is hier een link naar AllCraps.com, een website met spelregels en strategieen. Intussen kwam er telkens een serveerster langs met gratis, maar erg waterige drankjes. Op de achtergrond hoorde je een constante stroom blieb/priep/ping geluidjes van de slotautomaten. Met dit geluid nog in de oren, rolde ik om 2 uur in bed.
Donderdag 30 januari was de eerste dag van het eigenlijke congres. De lezingen 's ochtends waren wel leuk. De middagsessie was wat minder interessant, en we besloten om met de streetcar naar het Garden District te gaan. Het Garden District is een wijk buiten het centrum van New Orleans met statige en elegante huizen met veranda's en torentjes, en veel groen. De wijk ontstond na een grote overstroming in 1819, die een vruchtbare laag achterliet, waarop een plantage gebouwd werd. De plantage werd verkocht aan ondernemers, die er van 1840-1900 een nieuwe wijk lieten bouwen, het huidige Garden District. Om van het centrum naar New Orleans naar het Garden District te komen, namen we de Streetcar een soort nostalgische tram. Vol bewondering keken we naar de bestuurster, die aan allerlei wielen draaide, knoppen omzette, afremde, optrok, en hendels overhaalde. Het leek zeer ingewikkeld om het ding te besturen. Na een tijdje hadden we door dat ze telkens aan het schakelen was, en waar de rem zat, maar ik zou het Streetcar rijbewijs nog niet kunnen halen.
Na een rit van ca. 30 minuten stapten we uit bij Camellia Grill, een ouderwetse Amerikaanse hamburgertent. We gingen aan de bar zitten, en bestelden hamburgers, frietjes en cola. Het eten werd min of meer onder je neus klaargemaakt, in de vettige, rommelige keuken. Het zou in Nederland de Keuringsdienst van Waren niet kunnen passeren, maar het smaakte in ieder geval uitstekend.
Over de brokkelige stoep (niet geschikt voor rollerskates) liepen we een eindje over St. Charles Avenue terug richting het centrum. Na een half uurtje lopen kwamen we bij Tulane University. Het was een mooie, rustige en statige campus, smal en langwerpig, met roodbruine gebouwen, grasvelden en bomen. Aan een paar meisjes vroegen we of er ergens koffie te krijgen was, en ze wezen ons de weg naar PJ's Coffee Shop, een kioskje met Starbucks-achtig assortiment. We dronken onze koffie op in de zon. Het leven was goed.
We namen nog even een kijkje in de boekhandel in het ernaast gelegen gebouw. In de hal lagen studenten zomaar in het openbaar bloed te doneren, beetje vreemd hoor. Na nog een rondje over de campus te hebben gelopen, namen we de streetcar weer richting hotel en congres.
Na deze spijbelmiddag vonden we dat we toch nog weer wat wetenschap moesten bedrijven, en we togen naar de postersessie, die net begonnen was. Voor de niet wetenschappers onder jullie even een korte uitleg. Als je iets op een congres presenteert kun je dat op 2 manieren doen: via een praatje of via een poster. Een poster bestaat uit een groot vel papier van ca. 1 bij 2 meter, waarop je kort je onderzoek uitlegt, met inleiding, de gebruikte technieken, wat resultaten, tabellen en figuren, en een samenvatting van de conclusies. De poster wordt meestal opgerold in een koker getransporteerd. Op het congres is er meestal een aparte postersessie, waarbij alle deelnemers naar een aparte zaal toegaan, waar alle posters opgehangen zijn. Hiervoor worden schotten neergezet, waaraan je je poster met punaises of plakband kunt bevestigen.
Hieronder heb ik wat foto's gezet die ik zomaar van het internet geplukt hebt, dus niet van onze conferentie. Maar het geeft een beeld van een postersessie.
Postersessies zijn altijd een crime, met name als je zelf een poster moet presenteren. Een greep van de dingen die mis kunnen gaan (deels uit eigen ervaring):
- de printer loopt vast, de inkt is op, of de netwerkverbinding begeeft het 10 minuten voor de deadline
- je laat je poster op het vliegveld/in het vliegtuig/in het toilet/in de trein staan
- je denkt dat je poster te onhandig is om mee te nemen in het vliegtuig, checkt hem in, en hij komt nooit opdagen op de bagageband
- je komt aanzetten op het congres met je portrait poster, en het schot is landscape (of andersom)
- je hebt je punaises vergeten mee te nemen, net zoals 68 andere posterpresenteerders, en er is maar 1 doosje punaises
- je hebt eraan gedacht om punaises mee te nemen, maar het bord is van keihard wit plastic (tip: gebruik een schoen als hamer!)
- je hebt zowel punaises als plakband bij je, maar je toegekende posterbord-nummer is onvindbaar
- je hebt je poster eindelijk opgehangen, maar er komt niemand naar je poster kijken
- je komt aan het einde van het congres bij je bord om je poster weer mee te nemen maar hij is al weggehaald
Ik was dus blij dat ik deze keer zelf geen poster had, maar er waren wel een paar interessante andere posters. Na een uurtje posters lezen, praatjes maken en handjes schudden had ik het wel gezien. Ik ging weer even een uurtje naar bed, want ik moest natuurlijk weer fit zijn voor de volgende kroegentocht.
Eerst gingen we uit eten in een hippe oestertent, waarvan ik de naam vergeten ben. Een bezoek aan New Orleans is niet compleet zonder het eten van oesters. De beestjes worden meestal per 12 ("dozen", op z'n Engels) verkocht, en omdat we met z'n vijven waren, besloten we 1 schaal te nemen. De oesters liggen op de "half shell", op 1 van de 2 schelphelften dus. Je sprenkelt er wat citroensap over, en prikt met een vorkje het glibberding op, legt het op een toastje, doet er nog wat tabascosaus op, en dan in 1 hap naar binnen. Ze smaken zoals verwacht glibberig en zilt, en zonder het sausje en het toastje zou het wat mij betreft niet hoeven.
Na dit bijzondere voorgerecht nam ik als hoofdgerecht Jambalaya, een smakelijk rijstgerecht met tomaten, vis en worst.
Over Bourbon Street liepen we naar de beroemde Preservation Hall, een soort huiskamer waar elke avond de Preservation Hall Jazz Band optreedt. De band heeft een wisselende bezetting, maar bestaat altijd uit stokoude, zwarte muzikanten. We moesten lang wachten voordat het concert begon. Eerst een half uur buiten in de rij, en toen we binnen waren duurde het nog erg lang voordat de bandleden gingen beginnen. Maar het was wel bijzonder. De vingers waren wat stram, de tonen niet helemaal vlekkeloos, en de instrumenten waren antiek, en het repertoire was beperkt, maar sfeer had het allemaal wel. Er liepen twee katten door het publiek, die overal eens lekkere aaitjes kwamen halen. De muren waren oud, schimmelig, er hing maar 1 peertje aan het plafond, in de ramen zaten gaten die met plakband aan elkaar hingen, kortom een rommelige maar gezellige tent.
Het optreden bestond telkens uit 2 of 3 nummers, die lang duurden, met eindeloze solo's. Daarna kwam een man het toneel op, die de namen van de bandleden noemde, er volgde applaus, en er was een pauze van ca. 10 minuten. Daarna begon het weer opnieuw. Bij de derde of vierde sessie begon de band gewoon weer dezelfde nummers te spelen, en we vonden dat het tijd werd om verder te gaan.
Onze volgende stop was het Napoleon House. Het ontleent zijn naam aan het feit dat in 1821 de eigenaar van het pand, de toenmalige burgemeester van New Orleans, aan Napoleon bescherming aanbood tijdens zijn verbanning. Napoleon is hier nooit gekomen, maar sindsdien heet het het Napoleon House. Het was een bijzondere bar, met afgebladderde muren vol oude fotos, en hoekjes met geheimzinnige duren en trappen. We dronken er een Pimm's Cup, een coctail gegarneerd met een schijfje komkommer, maar moesten daarna ophoepelen want de bar ging dicht. De anderen besloten om verder te gaan stappen, maar het was 11 uur en ik vond het mooi geweest, ik ging naar bed.
Vrijdag 31 januari, mijn verjaardag! Het was vreemd en eenzaam om wakker te worden in een hotelkamer ergens "in den vreemde" met niemand om me te feliciteren, geen taart, en geen LangZalZeLeven. Ik ging maar snel naar de fitnessruimte voor een kwartiertje op de treadmill en daarna naar beneden voor een ontbijt. Daarna begon de ochtendsessie van het congres. Tijdens de lunch bleek dat mijn collega's toch niet vergeten waren dat ik jarig was. Ze namen me mee uit eten naar het Acme Oyster House, een beroemde New Orleans restaurant. We moesten een kwartiertje buiten wachten, zo druk was het. Eindelijk mochten we naar binnen. Het bleek een soort cafetaria te zijn, met geblokte plastic zeiltjes op tafel, een bar en veel oesters.
Bij de tap hing een bord met daarop de aantallen oesters die de recordhouders hier naar binnen hadden weten te slurpen. Het huidige record stond op 34. Niet 34 oesters, maar 34 DOZIJN (n=12). Alsjeblieft. Ik werd accuut misselijk bij de gedachte.
Dit restaurant heeft een live webcam, de zogenaamde Oystercam, waar je live de mensen de oesters naar binnen ziet schuiven....
Vanwege het tijdsverschil met NL loop je wel het risico dat je alleen maar lege barkrukken ziet.
Ietwat misselijk van de oesters gingen we weer terug naar de middagsessie van het congres. Toen die om 5 uur afgelopen was, ging ik weer even een uurtje slapen, want vanavond zouden we mijn verjaardag gaan vieren met een diner en kroegentocht. Ik luisterde de voicemail van mijn telefoon af, en daar waren een stuk of 7 felicitaties van familie en vrienden. Dat was hartstikke leuk om te horen! Om 7 uur hadden mijn collega's een tafel gereserveerd bij het sjieke restaurant The Pelican Club. Hoewel we geserveerd hadden moesten we toch nog een kwartier wachten bij de bar, en we namen vast een drankje. Daarna hebben we heerlijk gegeten. Vooraf namen we shrimp Cakes. Als hoofdgerecht nam ik Trio Duck, dus eend op drie manieren. Heerlijk! Erbij heel veel wijn, en we werden erg vrolijk. Mijn collega's smoesden daarna even met de bediening, wat ik door al die wijn niet zo door had. Maar daar kwam het toetje, White Chocolate Bread Pudding. Er was een brandend kaarsje in gezet, voor mijn verjaardag. Toch lief van mijn collega's. Gelukkig werd er niet bij gezongen door het personeel, want dat gebeurt wel in goedkopere restaurants. We hadden ook nog Creme Brulee als dessert, en deelden de twee toetjes met ons vieren.
De tafel naast ons had nog veel meer wijn op dan wij. De twee dames van het gezelschap hingen gierend van de lach over tafel, en eentje stootte nog een stoel omver. Het kan dus altijd nog gekker.
Om weer een beetje nuchter te worden liepen we een flink stuk door het Vieux Carree, richting Frenchmen Street. Boven een Thais restaurant met de weinig originele naam Siam bezochten we vervolgens de Dragons Den. Het was een donkere, vreemde bar met houten beelden en oosterse accenten. Er speelde een jonge band, maar de muziek kon me niet boeien. Het was een eindeloze jamsessie, zonder kop of staart of ritme. Omdat het mijn verjaardag was bleven we niet te lang hangen.
We liepen langs een druk en gezellig cafe, The Spotted Cat. Er speelde een life band maar het was te druk om naar binnen te gaan, en te koud om buiten te blijven luisteren.
We gingen door naar Coops Place (zie boven), waar mijn collega's lange tijd pool speelden en wachtten tot hun muzikale keuze door de jukebox gespeeld werd.
Bij Cafe du Monde (zie ook hierboven) namen we de traditionele cafe au lait met beignets. Terwijl we de poedersuiker van onze broeken aan het afkloppen waren, kwamen er drie totaal bezopen vrouwen binnen. Ze gingen zitten en zongen een meerstemmig countrylied. Zelf vonden ze dat het erg goed klonk, maar dat hing af van hoeveel drankjes je die avond op had.
Daarna gingen we door naar het Casino, voor een partijtje craps. Rond vier uur (jawel, ik was nu echt niet meer jarig) lag ik doodmoe in bed. Word ik nu niet een beetje te oud voor dit soort dingen???
Zaterdag 1 februari
Het was zwaar. Heel zwaar. Maar: ik zat om 9.15 in de conferentiezaal naar het eerste praatje van de dag te luisteren. Goed he! Mijn collega's waren nergens te bekennen. Ik was heel blij toen we rond half 11 een koffiepauze hadden...... Daar vernam ik dat de space shuttle Columbia was neergestort. Het was een vreemd bericht, want ik had al in geen 5 dagen TV gekeken, en wist nauwelijks meer van het bestaan van een wereld buiten het conferentiecentrum. Met gemengde gevoelens en de behoefte aan meer informatie nam iedereen weer plaats in de conferentiezaal, waar de laatste voordrachten werden gehouden.
Om 12 uur was het congres afgelopen. De collega's waren inmiddels ook weer boven water. Nadat we allemaal uitgecheckt waren, verzamelden we ons in de lobby, en gingen lunchen in het tegenover het hotel gelegen ietwat miezerige restaurant The Half Shell. Geen aanrader vanwege de slechte bediening.
Ik nam de hotelshuttle terug naar het vliegveld, en checkte in. Bij de controle moest ik weer mijn schoenen uit, en dit keer ging het alarm van het poortje af. Eliesje moest helemaal gescand en gefouilleerd worden, middenin een drukke hal, nogal embarrassing. Als troost nam ik een kop koffie. Nou, deze koffie was wel een tragisch dieptepunt in mijn 37-jarig leven. Verbrand, bitter, vies. Met veel suiker en melk probeerde ik er nog wat van te maken, maar na een paar slokken eindigde de beker met een fraai boog in een prullenbak.
De terugvlucht ging voorspoedig, weer met een overstap in Houston. Dit keer kregen we maar liefst twee films te zien: White Oleander (met Noah Wyle!) en The Good Girl, weer allebei zonder geluid. Ik zat bij het raampje, en onder me zag ik in het donker een grote stad liggen, allemaal lampjes. Een prachtig gezicht, en kennelijk een hele grote stad, middenin een donkere woestijn. De man in de stoel voor me vond het ook erg mooi, en hij vroeg aan de stewardess welke stad het was. Tot mijn verbazing antwoorde ze dat ze geen idee had op welke vlucht ze was, maar ze zou het aan de piloot vragen. Even later kwam ze terug: het was Phoenix.
Gerard haalde me op van het vliegtuig, en dat was het einde van mijn New Orleans avontuur.
Kapotte wasmachine
Drie weken geleden begaf opeens mijn wasmachine het. Halverwege het programma hield de pomp ermee op. Na heel veel moeite kreeg ik het deurtje open, en kon ik de kletsnatte was eruit rukken om in het bad uit te spoelen. Balen. Het ding was net een jaar oud en na lang zoeken vonden we het bonnetje. Ik belde net nummer van de Sears op, de winkel waar we de wasmachine hadden gekocht. Handig dat het telefoonnummer voor reparaties op de bon stond, vond ik. De bel ging over en een vrouw zei dat dit nummer 1 dollar per minuut kostte. Dat was vreemd maar ja. Daarna zei ze "If you are younger than 18, you MUST hang up now". Ik bleef hangen dus. Toen zei ze, opeens met een zwoele stem "Welcome to intimate connections. If you want to talk to a blonde girl, press 1..." Verbouwereerd hing ik op. Dit leek me niet de Sears reparatielijn.... Gerard ging het internet op, en al snel bleek dat het nummer op het bonnetje het verkeerde nummer was, er waren twee cijfers verwisseld. Nu had ik het goede nummer, en ik kon een monteur regelen. Ik had heel veel geluk, want Sears rekende de delivery date als uitgangspunt, en het bleek precies de LAATSTE dag van de garantie te zijn! Mooi geregeld dus. Helaas duurde het nog anderhalve week voordat de monteur kon komen. Hij kon tussen 12 en 5 komen, dus ik moest de hele middag vrij nemen. Wat dat betreft is het hier net zo armoedig als in Nederland. Gelukkig kwam de monteur om 2 uur. Na een uur prutsen had hij het gevonden. In de pomp van de machine zat een SOK. Het was zo'n pantykousvoetje, dat kennelijk ergens tussendoor geschoten was.
Ik was blij dat alles (gratis) gerepareerd was, en draaide twee wassen. Maar bij de tweede was: ja hoor, hij bleef weer hangen. Weer de pomp. Ik moest weer de was in de badkuip afspoelen, en baalde stevig. De monteur weer opgebeld. Afgelopen vrijdag kwam hij, een andere kerel dan de eerste keer. Ik zei nog voor de grap: het zal wel weer een sok zijn. En ja hoor: het was weer een "footie". Die moest er nog van de vorige keer ingezeten hebben, want ik had ze sinds de eerste reparatie niet meer in het apparaat gewassen.
Gelukkig is alles gerepareerd. Ik hoop alleen niet dat er nog 56 pantykousjes ergens in het apparaat zitten te wachten tot ze de pomp inschieten.
Einde van Deel 19: Jarig in New Orleans.
Ga door naar Deel 20: Bier, boete, botsing en bommen.